Animation VU Amsterdam

VU Amsterdam published a video animation about their Recognition & Reward programme.

‘Society is always changing, and so is Vrije Universiteit Amsterdam. Much is expected of you as an academic. Are all your activities being recognized and rewarded? VU Amsterdam is developing a new system of Recognition and Reward. Allowing academics, like yourself, to further develop themselves as wide as possible. This new system will offer more opportunities on various fronts. Such as greater emphasis on quality, instead of quantity.

We also aim to strike the right balance between research, education, knowledge transfer and leadership, to increase your career opportunities. Education and research remain the core tasks, but more combinations are possible. In addition, open science is becoming the standard. This allows us to connect to the world around us in a transparant way. We are increasingly focused on team performance while carefully rewarding individual contributions too. Lastly, we are investing in leadership of the future, which will be more entrepreneurial, more creative and more focused on collaboration. As a result, we recognize and reward academics for all their various competencies. Enabling you to distinguish yourself even more and work together pleasantly.

What does recognition and reward mean to you? Share your ideas with your dean, your supervisor or HR consultant.’

Dutch: ‘We moeten alleen talent investeren in wat er echt toe doet’

Prof. dr. Nelly Litvak, Professor of Algorithms for Complex Networks, University of Twente and Eindhoven University of Technology. Sinds ze hoogleraar is, wordt Nelly Litvak gewaardeerd om haar inzet voor onderwijsinnovatie. Maar vroeger waren de reacties ontmoedigend. Dat ze tegen de klippen op onderzoeksaanvragen moest schrijven gaf haar veel stress.

Als je terugkijkt op je carrière tot nu toe, vind je dan dat je het gebaande pad hebt bewandeld?
Ik zou zeggen van niet. Met projectvoorstellen heb ik heel veel pech gehad, maar ook een verkeerde strategie gekozen. Zo richtte ik me lange tijd op twee onderzoeksrichtingen in plaats van een. Ik heb heel veel onderwijs gegeven, en heb altijd met veel plezier steeds gezocht naar nieuwe aanpakken in onderwijs. Ik heb hart voor het uitleggen van wiskunde aan een breed publiek en schreef daarover verschillende boeken, die in Rusland zijn uitgegeven. Er zijn duizenden van verkocht, en in 2017 zat ik in de finale voor het beste populairwetenschappelijke boek in Rusland. Ook heb ik een Facebook groep opgericht over wiskunde voor `hopeloze alfa’s’, die inmiddels 23.000 leden heeft.

Ben je tevreden met de plek die je nu hebt?
Ja, absoluut. Ik ben blij met mijn onderzoekslijn aan complexe netwerken, heb artikelen waar ik oprecht trots op ben en geef keynote-lezingen op internationale conferenties. Desalniettemin zou ik graag zien dat jonge mensen die net als ik een ‘alternatief’ pad bewandelen niet zo veel stress hoeven te ervaren als ik in de afgelopen jaren. Projectvoorstellen schrijven was voor mij een gigantische bron van frustratie. Ik wil zo graag dat jonge mensen dit bespaard wordt! Met al mijn ervaring in verschillende NWOcommissies heb ik bij onze faculteit een ondersteuningsprogramma opgezet om Veni- en Vidi-kandidaten te helpen.

Ik zou graag willen dat mensen waardering krijgen voor wat ze doen, en niet voor de functie die ze bekleden. Ik probeerde bijvoorbeeld altijd iets nieuws en beters te doen in mijn onderwijs, dat vind ik leuk. Sinds ik hoogleraar ben, krijg ik daar ook veel waardering voor. Maar vroeger waren de reacties anders: ‘Dat is leuk, maar ik heb er geen tijd voor’, ‘Het is niet goed voor je loopbaan’. En wat ik het ergste vond is dat ik als UHD vaak werk moest doen waar ik geen eigen invulling aan kon geven. Niet iedereen vindt het erg, maar voor mij was het heel frustrerend want ik had zo veel ideeën over onderwijs!

Omdat we van alle onderzoekers eisen dat ze geld binnenhalen, creëren we kunstmatige competitie. Mensen schrijven ’s-nachts aanvragen, onder gigantische druk, omdat hun hele carrière ervan afhangt. Het resultaat is dat we heel lage slagingspercentages hebben en dat er veel uren, dagen enjaren verloren gaan, van tientallen talenten die veel beter benut hadden kunnen worden. Ook voor onderzoek! Als wiskundige bijvoorbeeld kun je prima gewoon met collega’s hoogwaardig onderzoek doen; je heb niet eens per se een aio nodig! Wie heeft baat bij dit dichtgeslibde systeem? Waar is het goed voor? Ik zie hier geen goede verklaring voor.

Welke mensen in je professionele omgeving zijn belangrijk geweest en waarom?
Ik heb geluk gehad met een mentor. Ik was UHD toen ik hem heb ontmoet en ik was echt zwaar gefrustreerd dat dat traditionele carrièrepad bij mij maar niet wilde lukken. En hij zei: ‘Het is oké.’ Hij wees me erop dat ik misschien niet de gebruikelijke successen had behaald, maar wel andere dingen had geleerd terwijl ik zo hard aan de weg timmerde. Dat begin ik zelf ook steeds beter in te zien.

Wat zijn voor jou essentiële eigenschappen die in het huidige systeem onvoldoende aandacht krijgen?
Ten eerste het vermogen om vernieuwing te brengen in het onderwijs. De uitdagingen in het onderwijs van 21ste eeuw gaan veel verder dan e-learning en moderne onderwijsvormen. Neem bijvoorbeeld toetsen. Toen corona de kop opstak was de grootste vraag: wat doen we met de tentamens? Alsof we de campus vooral nodig hebben om te kunnen surveilleren, zodat studenten tijdens de toets niet op hun telefoon kunnen kijken! Ik vond het best wel triest. Ze kunnen immers in het echte leven altijd op hun telefoon kijken. Het wordt steeds lastiger om uit te leggen waarom dat bij een tentamen niet mag. Eigenlijk moeten we het hele beoordelingssysteem herzien. We moeten ook blijven nadenken over hoe we de kracht van online learning optimaal kunnen benutten. Ik heb een reeks colleges statistiek opgenomen net voor de coronatijd. Dat was heel veel werk. Toen de lockdown begon betaalde het zich terug. Ik zie echter dat de opgenomen colleges veel meer betekenen dan gewoon een uitweg als de campus is gesloten.

‘ook talent voor leiderschap moeten we laten groeien, anders wordt de wetenschap straks niet professioneel gerund, en dat kan niet meer in de 21ste eeuw.’

Door de opnames heb ik veel meer tijd om tijdens colleges (al dan niet online) echt in gesprek te gaan met de studenten en interessante vragen te stellen. Ook nogal onverwacht: op YouTube werden deze colleges al bijna 11.000 keer bekeken! Ik heb dus veel meer studenten bereikt dan de honderd studenten die ik in de collegezaal had.

Tegenwoordig ligt de lat voor onderwijskwaliteit heel hoog. En vooral na de coronacrisis zal de behoefte aan innovaties groot zijn. Televisieprogramma’s en kranten zeggen allemaal hetzelfde: het hoger onderwijs gaat voorgoed veranderen. En ja, dat kost tijd en veel inspanning. We hebben eigenlijk veel meer budget en mensen nodig om dit bij te kunnen houden.

Ten tweede het vermogen om wetenschap te delen met een groot publiek. Het gaf mij enorme voldoening om mijn onderzoek aan netwerken te presenteren van achthonderd wiskundeleraren. Ik kreeg zo veel vragen en zo veel positieve reacties, sommigen wilden mijn onderzoek meteen toepassen in de klas. De coronacrisis heeft laten zien hoe weinig mensen wetenschap begrijpen. Dat iemand serieus kan denken dat corona van 5G-zendmasten komt! We moeten beter communiceren met de maatschappij. Dat vraagt heel veel van een wetenschapper. Het wordt denk ik vaak onderschat.

Ten derde teamwetenschap. Ooit was wetenschap een bezigheid van individuele geniën. Die tijden zijn lang voorbij. Zelfs in de wiskunde werken we met steeds grotere groepen. We moeten leren communiceren en elkaar waarderen.

Voel je je gewaardeerd in je werk? En wat draagt daaraan bij?
Nu wel. Maar ik weet zeker dat veel mensen onder het niveau van hoogleraar zich ondergewaardeerd voelen. Dat voelde ik me ook voordat ik hoogleraar werd. Het is een complex probleem, want het ligt aan de `sfeer’ en de sfeer is niet tastbaar. In een softwarebedrijf heb je ontwikkelaars en verkopers, iedereen krijgt waardering voor waar hij of zij goed in is. Bij de universiteit is de onderliggende gedachte dat je goed bent in alles, en hoe hoger op de ladder, hoe beter je in alles bent. Terwijl we allemaal weten dat het niet zo is. We moeten stoppen met doen alsof.

Welke agendapunten op het gebied van erkennen en waarderen verdienen wat jou betreft prioriteit?
Ten eerste een focus op kwaliteit in plaats van kwantiteit. Zoveel artikelen, zoveel voorstellen, hebben we niet nodig. We moeten alleen talent investeren in wat er echt toe doet. Ten tweede diversificatie. Juist omdat onze budgetten beperkt zijn, moeten we elk talent optimaal benutten. Ik heb bijvoorbeeld recent met een jonge UD gesproken die interesse heeft in leiderschap, die wil er een cursus over volgen etc. Ook dat soort talent moeten we laten groeien, anders wordt de wetenschap straks niet professioneel gerund, en dat kan niet meer in de 21ste eeuw. Diepte-investeringen in leiderschapsontwikkeling of onderwijsinnovaties of wetenschapscommunicatie kunnen niet bovenop alle andere zaken komen, dat is gewoon fysiek onmogelijk! We moeten mensen twee of drie richtingen laten kiezen waarin ze zich willen ontwikkelen en ze daarin steunen.

Dit interview maakt onderdeel uit van de De Jonge Akademie publicatie ‘Goed voorbeeld doet goed volgen – het nieuwe erkennen en waarderen volgens De Jonge Akademie’. Het interview is met toestemming doorgeplaatst. De hele publicatie is te downloaden op de website van KNAW.

Dutch: ‘gooi het kind niet met het badwater weg’

Dr. mr. Christiaan Vinkers, associate professor, Psychiatrie, Amsterdam UMC [VUmc] en psychiater GGZ inGeest. Met drie studies achter de rug en drie huidige functies is Christiaan Vinkers een multitalent. De combinatie van verschillende activiteiten maakt hem een betere wetenschapper, meent Christiaan.

Als je terugkijkt op je carrière tot nu toe, vind je dan dat je het gebaande pad hebt bewandeld?
Ik heb een wat alternatieve route gekozen. Ik begon met farmacie, toen ben ik parallel daaraan rechten gaan studeren en daarna heb ik SUMMA gedaan, de vierjarige geneeskundeopleiding voor zij-instromers in Utrecht. Tegelijk ben ik gepromoveerd. Daarna ben ik, toen ik 29 jaar was, in opleiding gegaan tot psychiater. Naast mijn studies heb ik altijd onderzoek gedaan, ook tijdens en na mijn opleiding tot psychiater. Voor een praktiserend arts die is het wel een grote uitdaging om voldoende tijd te vinden voor onderzoek. Dat zie je bijvoorbeeld in De Jonge Akademie, waar klinisch werkzame artsen echt een zeldzame verschijning zijn.

Ben je tevreden met de plek die je nu hebt?
Zeker. Op dit moment werk ik in het Amsterdam UMC, zowel bij Psychiatrie als bij Neurowetenschappen. Ook werk ik bij GGZ inGeest als psychiater op de polikliniek angst en depressie. Daar ben ik heel blij mee. De combinatie van onderzoek naar stress en veerkracht met mijn werk als psychiater is zeer inspirerend.

Omdat ik als onderzoeker bovendien op twee verschillende afdelingen ben aangesteld, kan ik profiteren van verschillende en elkaar aanvullende kennis en expertise. Dat maakt mij als wetenschapper breder dan ik anders zou kunnen zijn, en het stelt me in staat om verbindingen te leggen. Ik ben ook blij dat ik in Amsterdam veel vrijheid krijg om het belang van wetenschappelijk onderzoek in de psychiatrie te delen met een breder publiek.

Welke mensen in je professionele omgeving zijn belangrijk geweest en waarom?
Veel verschillende begeleiders hebben mij geholpen en gesteund. Door vertrouwen te stellen in mij als wetenschapper, door mij de kans te bieden over traditionele grenzen heen te kijken en door te zorgen dat ik meer dan ooit plezier heb in mijn werk als wetenschapper en psychiater.

Wat zijn voor jou essentiële eigenschappen die in het huidige systeem onvoldoende aandacht krijgen?
In het oude beoordelingssysteem lag er te veel nadruk op publicaties en binnengehaalde subsidies. Daarom is het goed dat we daar kritisch naar kijken. Waar het oude systeem soms de mist in ging is dat het een wetenschapper reduceerde tot een serie getallen zonder context. Er was bijvoorbeeld geen ruimte voor wetenschappers die veel samenwerken. Dat zou echt meer gewaardeerd kunnen worden, net als wetenschapscommunicatie en outreach. Ook wetenschappers die echt vernieuwend onderzoek doen passen soms niet in oude paradigma’s, bijvoorbeeld doordat ze over de grenzen van disciplines heen kijken, of met radicaal nieuwe ideeën komen.

Dat betekent niet dat het beoordelen van publicaties of wervend vermogen niet meer zou moeten kunnen of mogen. Natuurlijk zeggen zowel publicaties als geld iets, al is het maar een deel van het verhaal. Financieringsaanvragen dwingen je om ideeën scherp op te schrijven, geld geeft vrijheid om risicovol onderzoek te doen. Het risico als je ‘oude’ indicatoren verbiedt, is dat je het kind met het badwater weggooit. Wat mij betreft is het nodig dat we de criteria verbreden en meer in context plaatsen van de persoon en zijn/haar verhaal. Kwantitatieve maten verbieden lijkt mij te schuren met ruimte voor iemands eigen narratief. Bovendien, hoe weet je dan waar je een goede wetenschapper op moet beoordelen? Het moet toch niet gaan over iemands beheersing van de Nederlandse taal en gevoel voor een aansprekend verhaal? Zet tien narratieven naast elkaar – het lijkt me lastig die te ordenen. Kies dus niet of-of, maar doe en-en.

Als je de kwantitatieve maten verbiedt, zet je bovendien de deur open voor willekeur en gebrekkige transparantie, dat risico zie ik ook. Het wordt steeds duidelijker dat we in de academische wereld vragen om een schaap met vijf poten, maar dat geeft wetenschappers zoveel druk dat zij eraan onderdoor dreigen te gaan. Je kunt niet van iemand verwachten dat hij/zij veel geld binnenhaalt, in de media is, actief in wetenschappelijke verbanden, én verbindend. Narratief geeft ruimte aan uitleg, aan keuzes die een wetenschapper heeft gemaakt. Maar publicaties in context zeggen wel degelijk iets over een wetenschapper. Artikelen in Cell, Science of Nature zijn niet per se beter, maar het is wel een prestatie op zich om in die bladen te komen. Op het belang van de impactfactor valt genoeg af te dingen. T

‘een hoge impactfactor is niet hetzelfde als innovatief zijn, maar je mag er zeker trots op zijn.’

oen wij recent vele duizenden gerandomiseerd trials onderzochten, zagen wij dat gemiddeld genomen de methodologische kwaliteit hoger was als het gepubliceerd werd in tijdschriften met een hogere impactfactor. Een hoge impactfactor is niet hetzelfde als innovatief zijn, maar je mag er ook trots op zijn. Dus geef de onderzoekers die dat lukt ook erkenning daarvoor. Het is zeker niet: hoe meer, hoe beter, het gaat veel meer over de lijn van onderzoek en de verbinding tussen je publicaties.

Voel je je gewaardeerd in je werk? En wat draagt daaraan bij?
Ja. Ik heb gemerkt dat waardering voorwat je doet vanuit intrinsieke motivatie enorm belangrijk is. Naast intrinsieke drive is het ook belangrijk om waardering van anderen te krijgen. Als je vakgenoten zeggen: ‘goed gedaan’, is dat toch heel fijn. De waardering kreeg je eerder te vaak alleen als je hoog publiceerde of geld binnenhaalde, maar waardering kan en moet ook komen voor een mooie lezing, contact met patiënten, een nieuwe samenwerking, of inspanningen om wetenschap betrouwbaarder te maken. Teamwetenschap is ongelofelijk belangrijk, maar dat wil niet zeggen dat individuele wetenschappers geen aandacht of waardering nodig hebben, integendeel.

Dit interview maakt onderdeel uit van de De Jonge Akademie publicatie ‘Goed voorbeeld doet goed volgen – het nieuwe erkennen en waarderen volgens De Jonge Akademie’. Het interview is met toestemming doorgeplaatst. De hele publicatie is te downloaden op de website van KNAW.

Dutch: ‘laat weten waar jouw passie ligt’

Dr. Erik van Sebille, Universitair hoofddocent, oceanografie en klimaatverandering, Universiteit Utrecht. Erik van Sebille is een geëngageerde wetenschapper en besteedt veel tijd aan mediaoptredens. Hij ondervond daarvoor waardering en het leverde hem een interessante academische positie op.

Als je terugkijkt op je carrière tot nu toe, vind je dan dat je het gebaande pad hebt bewandeld?
Mijn route was redelijk standaard. Na mijn studie natuurkunde, meteorologie en fysische oceanografie ben ik aio geweest in Utrecht, daarna heb als postdoc in zowel Miami als Sydney gewerkt. In Sydney kreeg ik ook een fellowship, vergelijkbaar met de Veni in Nederland. Daarna ben ik lecturer geworden aan het Grantham Research Institute in London. Ik had daar best langer willen blijven, maar toen kwam Brexit, en ben ik met een ERC starting grant weer naar de Universiteit Utrecht gegaan. Daar werk ik nu als UHD.

Ondanks deze standaardroute zijn de aspecten waar ik op gewaardeerd word en waar ik op gewaardeerd wíl worden, niet per se standaard. Sinds mijn postdoctijd heb ik heel veel aan public outreach gedaan. Hierbij moet je denken aan het opzetten van een interactieve website die gebruikt kan worden door scholen en interviews voor kranten en nationale en internationale nieuwszenders. Ook heb ik voor een VPRO-documentaire een week lang op een eiland gezeten in de Stille Oceaan. Tijdens mijn tijd als postdoc in Sydney werd ik regelmatig gevraagd om als expert mee te denken over de vraag waar het vermiste Malaysian Airlines vliegtuig MH370 zich zou kunnen bevinden in de Indische Oceaan. Dit alles kostte mij veel tijd. Er waren weken dat ik alleen maar met public outreach bezig was en dus niet toekwam aan het schrijven van papers.

Gelukkig steunde mijn leidinggevende in Sydney deze media-optredens, dat was heel fijn. Ik kreeg wekelijks een bericht van hem, maar ook van de decaan van de faculteit, waarin stond dat ze het goed vonden dat ik zo zichtbaar was in de media. Dus in die zin voelde het niet als kiezen. Wat ik op dat moment deed − public outreach − werd gezien als wezenlijk onderdeel van mijn werk als postdoc. Sterker nog, de positie die ik nadien kreeg in London heb ik voor een groot deel te danken aan het profiel dat ik met mijn public outreach had opgebouwd.

Ben je tevreden met de plek die je nu hebt?
Ik ben heel tevreden met de plek waar ik nu zit. Ik ben weer terug bij het instituut waar ik ook begonnen ben. Dat was altijd al mijn doel, ook omdat mijn privéleven zich voor een groot deel in Utrecht afspeelt. Bij de Universiteit Utrecht maak ik me sterk voor het beter erkennen en waarderen van publieke participatie in wetenschap. Zo ben ik een van de aanjagers van de open-sciencebeweging in Utrecht en denk ik op beleidsniveau mee over de positie en taak van de universiteit in de samenleving. Hoe zorgen we er als wetenschappers voor dat we onze license to operate die we van de samenleving hebben gekregen behouden, en hoe kunnen we als universiteit andersdenkenden samenbrengen en discussie faciliteren?

Welke mensen in je professionele omgeving zijn belangrijk geweest en waarom?
Gedurende mijn carrière heb ik geluk gehad met heel fijne begeleiders. Zij hebben mij bijvoorbeeld het ambacht geleerd van goede artikelen schrijven. En mijn begeleider in Sydney destijds zorgde ervoor dat ik mij verder kon bekwamen in public outreach. Dat wilde ik vanaf mijn bachelorfase al doen, dus ik ben heel blij met de kansen die ik onder zijn supervisie heb gehad. Veel mediaoptredens waar hij bijvoorbeeld geen tijd voor had, schoof hij door naar mij.

Mijn advies aan jonge wetenschappers zou zijn: laat weten waar jouw passie ligt. Wil je meer aan public outreach of leidinggeven doen in je loopbaan, deel het met je begeleider, zodat jullie samen kunnen kijken hoe deze ambitie vorm te geven. En begin klein, bijvoorbeeld met presentaties op middelbare scholen. Als je je verhaal aan een veertienjarige kunt uitleggen, kun je het ook aan een journalist of aan een groot publiek vertellen. Naast het hebben van goede mensen om je heen, is het denk ik ook wel van belang om een beetje eigenwijs te zijn. Zelf ben ik dat ook, ik ga mijn eigen gang. Ook al zou mijn instituut mijn publieke optredens minder waarderen, ik blijf ze toch doen, omdat ik dat als persoon en als wetenschapper, belangrijk vind.

Wat zijn voor jou essentiële eigenschappen die in het huidige systeem
onvoldoende aandacht krijgen?

In het algemeen denk ik dat er te weinig gecoacht wordt, door mensen van buiten je eigen netwerk, mensen die verder van je af staan. Dat je met iemand kunt sparren over inhoudelijke en strategische keuzes in je loopbaan. Ik zou bijvoorbeeld wel eens bij iemand strategisch advies willen inwinnen over hoe mijn loopbaan voort te zetten. Wat zijn nu goede keuzes om te maken? Welke activiteiten stop ik, zodat ik tijd vrijmaak om nieuwe projecten te beginnen?

‘het helpt om goede mensen om je heen te hebben, maar je moet ook een beetje eigenwijs zijn.’

Daarnaast vind ik veel promotietrajecten in Nederland niet voldoende. Ze zijn vooral gefocust op inhoud, en minder op het leren van soft skills zoals presenteren, leidinggeven, netwerken. Voor deze soft skills moet naar mijn mening meer aandacht komen, omdat je daar buiten de wetenschap ook iets aan hebt. Tenslotte zal maar een klein percentage van onze promovendi in de wetenschap blijven.

Voel je je gewaardeerd in je werk? En wat draagt daaraan bij?
Ik voel me heel erg gewaardeerd in mijn werk, zowel nationaal als internationaal. Ik heb in dat opzicht ook echt geluk gehad. Op een gegeven moment ben ik mij bijvoorbeeld gaan focussen op plastic afval in oceanen. Dat was in een tijd waarin dit onderwerp nog niet hoog op de agenda stond. Sommigen zeiden: wat jammer van je talent, zou je dat nu wel doen? Maar mijn begeleider in Sydney vond het een fantastisch onderwerp en steunde me. Inmiddels staat ‘plastic soep’ wél hoog op de wetenschappelijke en politieke agenda. Ik ben dus blij met mijn keuze van destijds.

Welke agendapunten op het gebied van erkennen en waarderen verdienen wat jou betreft prioriteit?
Vanuit mijn passie voor publiek engagement vind ik dat we moeten blijven focussen op een echt open systeem, waarin we wetenschap met en voor de samenleving doen. Daarnaast vind ik de discussie over het nieuwe erkennen en waarderen superbelangrijk. Een pijnpunt dat ik zie, is de internationale dimensie hiervan. Want als we in Nederland een heel nieuw systeem opzetten, wat betekent dit voor de wetenschapper die zijn of haar carrière in Amerika wil vervolgen, waar wellicht andere criteria gelden? Het lijkt me daarom wel goed om onze discussies over erkennen en waarderen in een internationale context te bezien, en maatwerk te kunnen leveren.

Dit interview maakt onderdeel uit van de De Jonge Akademie publicatie ‘Goed voorbeeld doet goed volgen – het nieuwe erkennen en waarderen volgens De Jonge Akademie’. Het interview is met toestemming doorgeplaatst. De hele publicatie is te downloaden op de website van KNAW.

Dutch: ‘waarom kunnen we geen verschillende soorten hoogleraren hebben?’

Dr. Simone van der Burg, senioronderzoeker ethiek, Wageningen University & Research. Simone van der Burg liep er in haar positie bij een UMC tegenaan dat de eisen die aan haar werk werden gesteld waren ontleend aan de medische wetenschap en niet pasten bij haar eigen vakgebied. In een nieuwe functie wordt ze beter op waarde geschat.

Als je terugkijkt op je carrière tot nu toe, vind je dan dat je het gebaande pad hebt bewandeld?
Ik denk het niet. Al vroeg in mijn carrière, nog voor mijn promotie, kwam ik erachter dat ik moest kiezen tussen ‘publieksfilosofie’ en meer ‘academische filosofie’, hoewel ik het er eigenlijk niet mee eens ben dat dit onderscheid wordt gemaakt. Ik heb me altijd sterk ingezet voor publieksfilosofie, vooral aan het begin van mijn loopbaan. Zo heb ik meegewerkt aan een educatieve televisieserie, heb ik de Nacht van de Filosofie mede opgezet, was ik actief in filosofische cafés en publiceerde ik veel in kranten en in Filosofie Magazine. Ik deed dat omdat ik het belangrijk vind om met elkaar in gesprek te gaan, om de tijdgeest te kunnen duiden. Maar ik merkte dat deze publieksgerichte activiteiten niet meetelden aan de universiteit. Daar ging het om onderzoeksgeld binnenhalen en publiceren in internationale tijdschriften. Om die reden heb ik er later voor gekozen om minder aandacht te besteden aan publieksfilosofie. Vervolgens heb ik als postdoc eigenlijk alles gedaan wat men verwacht.

Toen kwam de financiële crisis en werden bij de universiteit waar ik toen werkte alle tijdelijke aanstellingen niet verlengd. Wel kon ik als senioronderzoeker terecht bij een universitair medisch centrum. Ook daar had ik al vrij snel projecten binnengehaald, maar ik liep als alfaonderzoeker aan tegen hun ‘one-size fits all’ eisenpakket. Voor een alfa is een impactscore van 2.5 bijvoorbeeld al vrij hoog, terwijl medische wetenschappers een impactscore van 5 erg laag vinden. Ik ben daarin meegegaan en richtte me op een ander type tijdschriften, met een hogere impactfactor.

Toch ging dit op een gegeven moment wringen. Mijn oorspronkelijke vakgebied raakte ik kwijt. Succesvolle acquisitie en grote sommen aan onderzoeksgeld binnenhalen was ook van belang in die medische omgeving. Waar het voor medische wetenschappers best gebruikelijk is om een miljoen aan te vragen in verband met apparatuur die je nodig hebt, is een of twee ton voor een alfawetenschapper heel normaal. Daarnaast wist ik aanvankelijk ook niet goed hoe het systeem werkt. Ik wist bijvoorbeeld niet dat jouw naam ook echt als projectleider genoteerd moet staan om ‘punten’ te scoren, en dat het een heel competitief spel is. Ik werd hierin niet begeleid, integendeel. Voor mij was het dus moeilijk om aan de formele succescriteria te voldoen, ook al deed ik mijn werk heel goed en werd dit ook door verschillende mensen erkend. Uiteindelijk ben ik dan ook geen hoofdonderzoeker geworden en wilde ik graag vertrekken van deze werkplek, ook om andere redenen.

Ben je tevreden met de plek die je nu hebt?
Waar ik bij mijn vorige werkplek altijd het idee had dat ik slechts getolereerd werd om mijn middelmatige prestaties, werd op mijn nieuwe werkplek erkend dat ik het volgens de normen van mijn eigen vakgebied goed doe. Dat voelde fijn. Ook kreeg ik snel een vast contract. Dat was prettig en gaf vertrouwen. Wat ik ook heel fijn vind aan mijn huidige werkplek is dat verschillende soorten publicaties meetellen. Dus niet alleen de internationale, maar ook Nederlandstalige. Ook wordt er goed samengewerkt, iets wat ik belangrijk vind in de wetenschap, want je bouwt toch samen kennis en een gedachtegoed op. In mijn vorige baan was samenwerken lastig; de competitieve sfeer had de overhand. Wat ik minder aantrekkelijk vind in mijn huidige baan, is dat de functie van senioronderzoeker het hoogst haalbare is. Ik kan hier geen hoogleraar worden.

Nu is dat is ook niet mijn voornaamste drijfveer in de wetenschap, ik wil vooral goed onderzoek kunnen doen. Maar het heeft me wel aan het denken gezet. Waarom zouden we niet een model kunnen creëren met verschillende soorten hoogleraren? Sommige meer academisch gericht, andere meer op maatschappelijke vraagstukken? Welke mensen in je professionele omgeving zijn belangrijk geweest en waarom?

Tijdens mijn periode als postdoc had ik een collega die het sterk stimuleerde dat je als onderzoekers samen verder komt met bepaalde ideeën. Dat vond ik heel inspirerend en ik probeer dat in mijn huidige baan nu zelf ook toe te passen. Voor de rest heb ik het idee dat ik vooral een ‘overlever’ ben, en dat ik op eigen kracht zorg dat ik er kom. Omdat ik zelf door schade en schande wijs ben geworden, zou ik het goed vinden als UD’s en UHD’s meteen bij aanvang van hun aanstelling een mentor krijgen, die hen wegwijs kan maken en kan adviseren. Die mentor moet onafhankelijk zijn, dus niet de leidinggevende die mogelijk botsende belangen heeft.

Wat zijn voor jou essentiële eigenschappen die in het huidige systeem
onvoldoende aandacht krijgen?

Kunnen samenwerken om de wetenschap vooruit te helpen vind ik als gezegd belangrijk. Het huidige systeem staat samenwerken in de weg, omdat iedereen graag de eer naar zich toe wil trekken. Mensen die goed kunnen luisteren, of die anderen met elkaar in contact brengen, worden ook niet altijd gezien. En sociale impact blijft soms verborgen. Als ik bijvoorbeel een workshop organiseer waar allerlei stakeholders elkaar ontmoeten en leren over ethische aspecten van een nieuwe technologie, kan dit heel veel maatschappelijke impact hebben. Maar dit type werk is een beetje onzichtbaar, het wordt niet echt meegenomen in de huidige beoordelingssystemen.

‘ik zou het goed vinden als ud’s en uhd’s meteen bij aanvang van hun aanstelling een mentor krijgen, die hen wegwijs kan maken en kan adviseren.’

Ook vind ik dat boeken schrijven mee moet tellen, in plaats van alleen artikelen in internationale tijdschriften. Iemand als Hans Achterhuis, die én boeken schrijft, én stukken voor de krant, maar ook wetenschappelijke artikelen, die vind ik inspirerend. Doordat het systeem alleen maar gericht is op internationale tijdschriften gaat er mijns inziens veel expertise verloren die zou kunnen helpen om actuele vraagstukken in onze samenleving te analyseren.

Welke agendapunten op het gebied van erkennen en waarderen verdienen wat jou betreft prioriteit?
Waar ik in ieder geval voor zou willen pleiten is minder autoriteit voor een hoogleraar. Ik heb zelf ervaren dat het je erg kan tegenwerken als je het niet zo goed kunt vinden met een hoogleraar waarvan je afhankelijk bent. En als UD en UHD doe je in principe al alles zelf, dus waarom zou jij bijvoorbeeld geen promotierecht hebben? Daarnaast heeft voor mij een hervorming van het systeem waarmee onderzoeksgeld wordt verdeeld prioriteit. Ik heb onlangs het schrijven van een onderzoeksvoorstel door een internationaal consortium gecoördineerd. Samen met iemand anders was ik in de laatste fase echt een 24-uurs schrijfdienst. Stel dat veertig consortia dat zo doen, en slechts één consortium wordt beloond. Dat is echt verspilde moeite en kost ook enorm veel geld, dat ook aan onderzoek kan worden besteed. Dus ik zou willen pleiten voor een systeem waarin onderzoeksgeld via diverse kanalen wordt verspreid en minder investering vooraf vergt. Wel moet er iets van competitie in blijven, dat stimuleert mensen om het beste uit henzelf en het project te halen. Maar nu slaat het door.

Dit interview maakt onderdeel uit van de De Jonge Akademie publicatie ‘Goed voorbeeld doet goed volgen – het nieuwe erkennen en waarderen volgens De Jonge Akademie’. Het interview is met toestemming doorgeplaatst. De hele publicatie is te downloaden op de website van KNAW.

Dutch: ‘ik voel minder bewijsdrang, en meer blijheid’

Dr. Geert Schenk, assistant professor, Anatomie en Neurowetenschappen, Amsterdam UMC [VUmc]. Geert Schenk vond het lastig om onderwijs en onderzoek te combineren. Zijn leidinggevende zag dat en bood hem een onderwijspositie. Geert is sindsdien beter geworden in onderwijs én onderzoek.

Als je terugkijkt op je carrière tot nu toe, vind je dan dat je het gebaande pad hebt bewandeld?
Ik zou zeggen dat ik een alternatieve route heb gevolgd, hoewel ik wel begonnen ben op het traditionele pad. Na mijn promotie heb ik in totaal zeven jaar als postdoc gewerkt. Drie jaar bij één universiteit, toen naar een andere universiteit voor een eenjarige postdocperiode. Die aanstelling kon alleen verlengd worden als ik zelf financiering binnenhaalde. Dat is niet gelukt. Toen ben ik naar een andere afdeling gegaan, waar ik vervolgens ook drie jaar als postdoc heb gewerkt.

Op die laatste plek ben ik veel met onderwijs in aanraking gekomen en ik merkte dat ik dat heel leuk vond om te doen. Ik trok onderwijstaken zoals coördinatorschappen naar me toe. Maar ik vond het heel lastig om onderzoek en onderwijs te combineren. Toen kwam de vraag van mijn afdelingshoofd of ik niet liever meer focus op het onderwijs wilde leggen, om me in die richting te specialiseren. Ik kon dan een positie krijgen als staflid. Daar heb ik best even over na moeten denken. Als je voor onderwijs kiest, doe je dan niet een stapje terug? Dat wilde ik eigenlijk niet. Ik zag mezelf als onderzoeker en niet als onderwijzer. Uiteindelijk heb ik toch ja gezegd. Daarmee verliet ik het reguliere academische pad om carrière te maken in het onderwijs. Dat is een goede beslissing geweest.

Ben je tevreden met de plek die je nu hebt?
Enorm. Ik vind het heel erg leuk wat ik doe en wil daarin graag excelleren. Ik pak alle kansen die ik krijg. Ondertussen heb ik een basiskwalificatie en een seniorkwalificatie voor het onderwijs gehaald. Naast het geven en coördineren van onderwijs ben ik ook meer gaan ‘uitzoomen’. Ik kijk bijvoorbeeld kritisch naar het curriculum als geheel. Tegelijkertijd kan ik ook nog onderzoek doen; mijn aanstelling betreft voor zestig procent onderwijs en voor veertig procent onderzoek. Ik word niet afgerekend op het onderzoek, dus ik kan kiezen welk onderwerp ik het leukste vind, met wie ik het liefste samenwerk etc. Hierdoor heb ik altijd zin om aan mijn onderzoek te werken. Het mes snijdt dus aan twee kanten: ik word zowel beter in onderwijs als in onderzoek.

Als ik nu terugdenk aan mijn tijd als postdoc, besef ik dat ik altijd een enorme druk voelde om te presteren als onderzoeker. Nu heb ik ook druk, en misschien niet eens zo veel minder, maar toch ervaar ik mijn werk wel als prettiger. Deels komt dit natuurlijk door de vaste aanstelling die ik heb gekregen. Je hebt niet het gevoel op de schopstoel te zitten. Maar daarnaast denk ik ook dat ik de druk als prettiger ervaar omdat ik de dingen doe waarbij mijn hart ligt.

Welke mensen in je professionele omgeving zijn belangrijk geweest en waarom?
Mijn voormalig afdelingshoofd Anatomie & Neurowetenschappen was een echte mentor als het gaat om docentschap. Mijn huidige afdelingshoofd en sectieleider is ook heel belangrijk geweest. Hij was degene die herkende dat ik het moeilijk vond om alles tegelijk goed te doen. Hij gaf me een kans om de balans meer naar onderwijs te verschuiven, en hij gaf me vooral ook het gevoel dat hij achter me stond en me steunde.
Binnen het onderwijs zelf is de opleidingsdirecteur heel belangrijk. Zij zorgt ervoor dat ik me kan ontplooien.

Wat zijn voor jou essentiële eigenschappen die in het huidige systeem onvoldoende aandacht krijgen?
In het onderwijs (en ook in het onderzoek) is het belangrijk dat je een inspirerende en motiverende invloed hebt op studenten. Dat wordt naar mijn idee nog niet voldoende onderkend. Ik heb zelf bijvoorbeeld onlangs twee onderwijsprijzen gewonnen. Prijzen die door studenten zelf uitgereikt worden. Dat voelt als een enorme erkenning, maar bij de evaluatie vanuit de faculteit wordt niet gekeken of je een inspirerende docent bent. Ook in bredere zin wordt de kwaliteit van het onderwijs dat je geeft onvoldoende meegewogen. Dat zou ik graag terug willen zien in mijn eigen evaluatie. Ten slotte vind ik het belangrijk dat leidinggevenden hun medewerkers steunen. Dat heeft voor mij veel betekend, dat je voelt dat mensen achter je staan en uitspreken dat ze trots zijn op wat je doet.

Voel je je gewaardeerd in je werk? En wat draagt daaraan bij?
Ik voel me zeker gewaardeerd, specifiek in de situatie waarin ik nu terechtgekomen ben. Doordat ik de dingen doe waarbij mijn hart ligt, ben ik er ook goed in. Als postdoc moest ik echt vechten om erkenning en waardering te krijgen.

‘ik word niet afgerekend op mijn onderzoek, dus ik kan kiezen welk onderwerp ik het leukste vind en met wie ik het liefste samenwerk. hierdoor heb ik er altijd zin in.’

Je moest je continu bewijzen. Het was eigenlijk een soort gevoel van: ‘alleen als je het goed doet, mag je blijven’. In mijn huidige positie ervaar ik meer een onvoorwaardelijke houding: ‘jij doet je werk goed en we willen jou hebben’. Hierdoor voel ik minder de drang om mezelf te bewijzen, en ook meer blijheid.

Los van promotie op de academische ladder geeft het mijzelf een gevoel van waardering als ik om raad gevraagd word, of mensen mij ergens bij betrekken. Dan heb ik het idee iets te kunnen bijdragen. Ook een vast contract is een vorm van erkenning: er wordt voor je gezorgd. Ten slotte is zeggenschap over processen waar je bij betrokken bent, aan tafel zitten voordat er echt iets wordt besloten, ook een vorm van waardering.

Welke agendapunten op het gebied van erkennen en waarderen verdienen wat jou betreft prioriteit?
Diversiteit in profielen staat voor mij wel echt voorop. Aandacht voor persoonlijke talenten en mensen in hun kracht zetten. Geen verlies van energie aan zaken die minder vanzelf gaan omdat het vink lijstje dat van je vraagt. Ruimte om bijvoorbeeld met een team mee te werken aan een wetenschappelijk artikel, maar ervoor te kiezen dat te doen als ‘simpele’ coauteur. Op deze manier krijg ik wel de kans om mijn wetenschappelijke expertise te delen.

Dit interview maakt onderdeel uit van de De Jonge Akademie publicatie ‘Goed voorbeeld doet goed volgen – het nieuwe erkennen en waarderen volgens De Jonge Akademie’. Het interview is met toestemming doorgeplaatst. De hele publicatie is te downloaden op de website van KNAW.

Dutch: ‘sommige inspanningen kunnen onverwacht iets moois opleveren’

Dr. ir. Matthan Caan, assistant professor, Artificial Intelligence in Medical Imaging, Amsterdam UMC [AMC]. Matthan Caan is blij met de kansen die hem geboden werden om zich te ontplooien, ook in een ondersteunende rol. Zijn leidinggevende hielp hem om zijn bescheidenheid te overwinnen.

Als je terugkijkt op je carrière tot nu toe, vind je dan dat je het gebaande pad hebt bewandeld?
Ik heb een alternatieve route gevolgd. Na mijn promotie ben ik voor de helft van mijn tijd als postdoc gaan werken en in de andere helft verleende ik ondersteuning bij onderzoek en onderwijs. In eerste instantie kreeg ik een contract voor vier jaar en vervolgens nogmaals voor vier jaar. Tijdens deze aanstelling heb ik heel veel meegewerkt aan publicaties, samenwerkingen opgezet en meegedaan met klinische partners. Ik heb ook kansen gegrepen door zomerscholen en masterclasses op te zetten. Wat ik in deze periode niet heb gedaan, is als postdoc naar het buitenland gaan, ook heb ik geen Veni of Vidi aangevraagd.

Anderhalf jaar geleden werd mij een positie als UD aangeboden en ben ik van afdeling gewisseld. Momenteel besteed ik mijn tijd voor zestig procent aan onderzoek en voor veertig procent aan onderwijs. Ik doe onderzoek naar hoe artificiële intelligentie kan worden ingezet om de procedure waarmee MRIscans worden gemaakt te versnellen. Ook kijk ik naar de toepassing ervan in verschillende ziektebeelden. Ik begeleid acht promovendi en twee postdocs en ben coördinator van twee vakken.

Ben je tevreden met de plek die je nu hebt?
Ja, ik ben heel tevreden. Als UD heb ik een vast contract, dat geeft vertrouwen. Ook is het fijn dat ik vrijheid heb om het onderzoek en onderwijs in te vullen, dat ik niet in een mal geperst word. Het moet wel passen binnen de strategie van de afdeling, maar daar wordt voor gezorgd doordat iedereen aan een UHD is gekoppeld, die die inbedding garandeert. Nu ik een vaste positie heb, kan ik ook werken aan mijn zichtbaarheid, en onderzoeksaanvragen schrijven, niet alleen voor mijzelf maar ook voor anderen in mijn groep. Ik ben blij met de omstandigheden en heb het getroffen met de collega’s. Ik heb wel ambities om door te groeien naar UHD of hoofdonderzoeker. Ik verwacht de komende paar jaar vaker laatste auteur te zijn op papers.

Welke mensen in je professionele omgeving zijn belangrijk geweest en waarom?
Mijn (co)promotoren van de TU Delft die al tijdens de promotie aangaven dat ik ook onderwijs moest geven – ze herkenden mijn talent. Maar ook het afdelingshoofd van Radiologie en mijn directe leidinggevende gedurende mijn postdoc-tijd hebben mij ondersteund.

‘onderzoeksondersteuning is echter superbelangrijk; zonder goede ondersteuning boet onderzoek in aan kwaliteit. daar mag wel wat meer aandacht voor komen.’

Vooral de laatste heeft altijd gezocht naar mogelijkheden om zijn personeel te laten groeien. Ook in de ondersteunende tak waar ik de eerste acht jaar werkte, heerste geen mentaliteit van ‘u vraagt wij draaien’. Dit in tegenstelling tot vergelijkbare afdelingen op andere locaties, waar de intellectuele capaciteiten van de ondersteunende staf dan ook onvoldoende tot hun recht komen. Voor mijn huidige positie kwam ik in beeld via onderwijs, om precies te zijn via een vak dat ik coördineerde, en door een winterschool die ik mede organiseerde. Terwijl ik dat deed had ik niet kunnen bevroeden dat die activiteiten mede tot mijn huidige positie zouden leiden. Sommige inspanningen kunnen onverwachts iets moois opleveren!

Wat zijn voor jou essentiële eigenschappen die in het huidige systeem onvoldoende aandacht krijgen?
Het klinkt misschien gek maar ik kan mensen vaak een luisterend oor bieden. Ze komen daarvoor ook naar mij toe. Dit is een eigenschap die nergens beschreven staat, maar die voor een organisatie wel van waarde is. De vraag is of alle relevante eigenschappen in scores moeten worden uitgedrukt, maar het zou wel mooi zijn als zoiets wordt opgepikt. Ook denk ik dat het goed is om een soort leermeester gezelrelatie meer op de voorgrond te zetten.

Als ik zelf terugkijk op mijn positie in het team voor onderzoeksondersteuning, dan had ik het heel goed getroffen met een visierijk persoon die de groep bestuurde. Ik weet echter dat dit niet overal zo is. Onderzoeksondersteuning is echter superbelangrijk; zonder goede ondersteuning boet onderzoek in aan kwaliteit. Maar mensen die anderen helpen bij hun onderzoek hebben zelf minder tijd om aan publicaties en aanvragen te werken. Dat knelt met de eisen die worden gesteld aan iemand die hoofdonderzoeker wil worden. Het lijkt mij goed als daar meer aandacht voor komt.

Voel je je gewaardeerd in je werk? En wat draagt daaraan bij?
Ik ervaar zeker erkenning en waardering. Wat daarbij helpt, is dat ik altijd voor vol ben aangezien. Persoonlijke waardering uitspreken is belangrijk. Bijvoorbeeld door een opmerking als ‘jij bent een rots in de branding’. Het helpt als een leidinggevende je motiveert om meer ruimte in te nemen. Ik ben zelf nogal bescheiden, waardoor ik vaak denk ‘het komt wel’. Dit blijkt dan ook zo te zijn, maar wat steun om mijn terughoudendheid te overwinnen helpt mij. Dat vraagt leiderschapsvisie.

Tegelijkertijd wil ik ook niet op een positie komen waar ik te ‘groen’ voor ben. Het moet een uitdaging zijn, maar niet een te grote. Dat heeft ook te maken met keuzes die ik thuis maak. Ik hoef geen tachtig uur per week te werken. Als ik terugkijk, had ik misschien wel sneller een vaste aanstelling willen hebben of minder tijd in acquisitie willen steken. Maar hoe ik het pad bewandeld heb, is mijn een eigen keus geweest en ik denk dat het voor mij ook goed heeft gewerkt. Er is voldoende uitdaging geweest onderweg. Ik heb kunnen groeien en dat is gewaardeerd.

Welke agendapunten op het gebied van erkennen en waarderen verdienen wat jou betreft prioriteit?
Het belangrijkste verbeterpunt is wat mij betreft de waardering voor onderwijsinspanningen. Ook diversificatie is essentieel, evenals aandacht voor mensen die niet verder willen doorgroeien. Hoe zorg je ervoor dat je deze mensen toch voldoende erkenning en waardering geeft? Ten slotte vind ik de verdeling van het onderzoeksgeld belangrijk. Misschien moet er meer onderzoeksgeld via de eerste geldstroom gaan, voor de continuïteit van onderzoekslijnen.

Dit interview maakt onderdeel uit van de De Jonge Akademie publicatie ‘Goed voorbeeld doet goed volgen – het nieuwe erkennen en waarderen volgens De Jonge Akademie’. Het interview is met toestemming doorgeplaatst. De hele publicatie is te downloaden op de website van KNAW.

Exploring new ways of recognition and reward in science

Siroon Bekkering from Radboudumc reflected on the perception of the profession ‘scientist’ in a blog on the Radboudumc website. Siroon talks about an ‘extra (darker) layer’ that is added what is means to be a scientist. She states that science has becomemore and more dependent on ‘impact’, ‘benefits’ and other measurable things. Studying topics ‘because you want to know how things work’ isn’t a thing anymore. You need papers, preferably with high impact, write personal grants, but also (inter)national collaborations and your name on collaborative grants. You need to go abroad for a while, increase your network, be an editor at a journal, organize conferences and oh, don’t forget the supervision of (PhD) students, teaching classes and an amazing media presence. Scientist need to do it all and need to do it perfectly.

But there is also good news: Dora is here! In this article Siroon explains how the San Fransisco Declearation On Research Assessment (DORA for short) is a starting point for a new way of looking to recognition and rewarding system.

“If science becomes a collaboration between all kinds of different people, we can emphasize each other’s strengths, use it for the team and not try to do everything perfectly ourselves. That will save us time, lift some of the pressure and hopefully will lead us to do more of what we love: explore.”

National approaches to rewarding teaching

Feedback from Professor Han van Krieken (Rector Magnificus of Radboud University), Ingrid van Engelshoven (Dutch Minister for Education, Culture and Science), Dr Pieter Duisenberg (President, VSNU) and Professor Rianne Letschert (Rector Magnificus of Maastricht University) on the national collaboration for change to academic career pathways in Dutch universities.