Page 2 of 4

More than ninety teams of scientists ‘appreciated’ for their commitment to science communication

22 April 2021

The submissions to the pilot fund ‘Science communication by scientists: Appreciated!’ illustrate the broad scope and diversity of science communication activities by researchers in the Netherlands.

Although interaction between science and society is of enormous importance, science communication is still far from being recognised as integral to the tasks of science. The pilot fund ‘Science communication by scientists: Appreciated!’ – set up by the Dutch Ministry of Education, Culture and Science and administered by the Academy – takes a step towards showcasing and rewarding the many scientists who have dedicated themselves to science communication.

Huge response
‘The submissions to Appreciated! make clear for the first time how much researchers are already achieving in science communication and public engagement,’ says the chair of the assessment committee, Academy member Peter-Paul Verbeek (University of Twente). ‘This response implies that the total effort is many times greater, since only one or two teams could be nominated by each faculty and, on top of that, many scientists work on science communication individually.’

The projects cover a wide range of topics, from women’s history and Dutch literature to artificial intelligence and astronomy. The science communication activities are also very diverse, from books and comics to blogs, videos and podcasts.

Networking and knowledge-sharing
To maximise the response to the fund’s one-off incentive, apply the lessons learned through the fund directly, and draw on the experience that the various faculties around the country have gained with many different forms of science communication, a supplementary programme is being organised on the theme ‘Science communication by scientists’. An extensive programme of activities will follow in 2021 and 2022 that will focus on knowledge-sharing, training in public engagement, an impact study by the Athena Institute (VU Amsterdam), a closing conference, and a final report offering guidelines to help knowledge institutions appreciate and facilitate science communication by scientists. The Academy is developing and will carry out the programme in cooperation with Samenweten.

About the fund
Appreciated! is meant for ongoing science communication projects being carried out by teams of scientists. A total of 96 applications have been submitted by 62 faculties, with all Dutch universities participating. Of these, 91 have been awarded funding. Each team has received € 10,000. See the list of the award recipients. The Appreciated! fund is in line with the new approach to recognising and rewarding scientists that was recently introduced in the Dutch knowledge sector. The fund was set up by the Ministry of Education, Culture and Science and is being administered by the Academy.

Open the overview of the submissions.

 

Meer dan 90 teams van wetenschappers ‘Gewaardeerd’ voor wetenschapcommunicatie

Uit de inzendingen voor het Pilotfonds Wetenschapscommunicatie door Wetenschappers Gewaardeerd! blijkt de grote omvang en diversiteit van wetenschapscommunicatie-activiteiten door wetenschappers in Nederland.

Ondanks het grote belang van interactie tussen wetenschap en samenleving wordt wetenschapscommunicatie nog lang niet altijd erkend als een volwaardig onderdeel van een wetenschappelijk takenpakket. Het Pilotfonds Wetenschapscommunicatie door wetenschappers: Gewaardeerd! – ingesteld door het ministerie van OCW en uitgevoerd door de KNAW– zet een stap in de richting van het zichtbaar maken en belonen van de grote groep wetenschappers die zich structureel voor wetenschapscommunicatie inzet.

Grote opbrengst

“De inzendingen voor Gewaardeerd! maken voor het eerst concreet hoeveel er al door onderzoekers wordt gerealiseerd op het gebied van wetenschapscommunicatie en public engagement.” aldus de voorzitter van de beoordelingscommissie, KNAW-lid Peter-Paul Verbeek (Universiteit Twente). “Deze opbrengst impliceert dat de totale inzet nog vele malen groter is, aangezien per faculteit maar een of twee groepen voorgedragen konden worden en daarnaast een groot aantal wetenschappers individueel met wetenschapscommunicatie aan de slag gaat.”
De projecten hebben uiteenlopende onderwerpen: van vrouwengeschiedenis en neerlandistiek, tot Artificial Intelligence en sterrenkunde. Ook het type activiteiten is zeer divers: van (strip)boeken en blogs tot video’s en podcasts.

Netwerk en kennisdeling

Om de opbrengst van de eenmalige impuls uit het fonds te optimaliseren, de inzichten uit het fonds direct toe te kunnen passen en gebruik te maken van ervaring die op de verschillende faculteiten in het land met allerlei vormen van wetenschapscommunicatie wordt opgedaan, wordt er een aanvullend programma georganiseerd rondom het thema ‘wetenschapscommunicatie door wetenschappers’. In 2021 en 2022 volgt een uitgebreid programma van activiteiten op het gebied van kennisdeling, training in public engagement, een impactonderzoek door het Athena Instituut (Vrije Universiteit Amsterdam), een slotbijeenkomst en een eindrapportage met handreiking aan kennisinstellingen om wetenschapscommunicatie door wetenschappers te waarderen en te faciliteren. Dit programma wordt ontwikkeld en uitgevoerd door de KNAW in samenwerking met Samenweten.

Over het fonds

Gewaardeerd! is bedoeld voor lopende wetenschapscommunicatieprojecten uitgevoerd door een groep wetenschappers. Er zijn 96 aanvragen ingediend, afkomstig van 62 faculteiten vanuit alle universiteiten in Nederland. Hiervan zijn er 91 gehonoreerd. Elk team ontvangt € 10.000. Op de website van de KNAW is een overzicht te vinden van alle toekenningen. Het fonds Gewaardeerd! past in de nieuwe wijze van erkennen en waarderen van wetenschappers, die recent is ingezet binnen het Nederlandse kennisveld. Het fonds is ingesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en wordt uitgevoerd door de KNAW.

Van samenwerken profiteren we allemaal

“Structuren in de academie werken samenwerken niet in de hand; je gaat een trechter in om alleen de academische ladder op te gaan.“

Jasper Sluijs is universitair docent binnen de leerstoelgroep economisch publiekrecht van het departement rechtsgeleerdheid bij de Universiteit Utrecht. Jasper behaalde in 2012 zijn PhD cum laude aan Tilburg Law School, en was hiervoor als Fulbright Scholar verbonden aan the Georgia Institute of Technology en the University of Pennsylvania. Tijdens het Recognition & Rewards Festival in januari 2021 voelde Jasper zich omringd door gelijkgestemden en in de speeddate met Rianne Letschert deelde hij zijn ervaringen als ‘herintreder’ in academische wereld. Want wat heeft ‘dat gat op zijn CV’ na 5 jaar praktijkervaring opgeleverd? We spraken af met Jasper en interviewden hem over zijn ervaringen.

Jasper kijkt positief terug op de periode van zijn promotie. “Ik vond het heerlijk om een onderwerp helemaal uit te wonen. Doordat mijn onderzoeksgebied (het al dan niet reguleren van breedband-netwerken) heel beleidsrelevant én wetenschappelijk onontgonnen terrein was, kon ik echt onderdeel zijn van een maatschappelijke discussie en breed meedoen aan beleid. Ik hoefde dus niet op mijn kamertje te blijven maar kon spreken op congressen en expert meetings. Ik mocht echt pionieren en ik kon impact hebben. Op dat moment dacht ik dat elke promovendus dat had.”

Wel ervoer Jasper zijn PhD-tijd als een periode waarin hij veelal solitair te werk ging. “Je bent alleen verantwoordelijk voor je eigen publicaties en voor je vakken. Ik heb nooit echt geleerd om samen te werken en professionele verantwoordelijkheid te dragen. Een promotie is een trechter, net als een postdoc, dus het wordt steeds eenzamer.” Jasper koos ervoor de academie te verlaten om te gaan solliciteren in de private sector.

“Ik snap niet dat ik ben aangenomen”

… bekent Jasper eerlijk. “Wat betreft mijn professionele vaardigheden was ik echt een starter. Als PhD ben je misschien best slim, maar als professional kon ik echt niks. Projectmanagement, declarabele uren schrijven en dus efficiënt zijn, dat kon ik niet, ik was mega langzaam.”

In de consulting schreef Jasper maandelijks adviezen en rapporten die van even grote omvang waren als waar hij als PhD een jaar mee bezig zou zijn. Hij leerde om te gaan met de grote financiële belangen van cliënten. “Ik heb dingen geleerd die ik nooit binnen de academie had geleerd, bijvoorbeeld samenwerken. De academie is in mindere mate op samenwerken gericht: je moet je individueel onderscheiden ten opzichte van je collega’s om die onderzoeksbeurs of die post-doc te krijgen.”

“Ik zag in de consultancy dat als je samenwerkt, je veel gavere dingen kan doen. Je kwaliteit wordt beter, je werkt sneller en je betrekt veel meer perspectieven in je werk.”

Met vallen en opstaan kon Jasper doorgroeien binnen de consultancy. Hierdoor kreeg hij steeds minder met de inhoud te maken, iets wat voor hem juist ontzettend belangrijk is. “Ik ben toen gaan nadenken: Management is leuk, maar niet zonder inhoud.” Jasper ging toch weer solliciteren in de academische sector, en kwam bij de Universiteit Utrecht uit.

“In Utrecht waren ze bereid om een gokje met mij te nemen, zo voelde dat echt.”

Jasper had ondertussen bijna vijf jaar gewerkt in de private sector als consultant. ‘Een gat op zijn CV’ werd dat genoemd binnen de academie. ”Ik heb toen een riant vast contract opgegeven voor een jaarcontract. Maar het was wel wat ik wilde, ik zocht meer inhoud en autonomie en nu heb ik de gelegenheid om ergens wat van te vinden zonder gebonden te zijn aan een cliënt.” Nu werkt Jasper ongeveer drie jaar bij de Universiteit Utrecht en toch moet hij zich nog regelmatig verantwoorden voor ‘dat gat op zijn CV’. “Ik heb ontzettend relevante projectmanagement ervaring opgedaan, dus ik weet echt wel wat ik doe, maar vijf jaar geen publicaties wordt toch belangrijker gevonden in de afweging of ik een groot onderzoeksproject kan leiden.”

Ondertussen zit Jasper bij de Universiteit Utrecht wel zeer goed op zijn plek. Hij benadrukt tijdens het gesprek dan ook dat het geen negatief verhaal moet zijn, maar juist een verhaal waar kansen en mogelijkheden in te zien zijn. “Ik werk hier met plezier en ik krijg waardering op wat ik doe. Tegelijkertijd wil ik natuurlijk ook groeien. Hoger op de ladder kan je ook dingen veranderen, nu probeer ik in mijn eentje het goede voorbeeld te geven door de samenwerking op te zoeken en projectmatiger te werken. Ik zou graag duurzame verandering binnen mijn universiteit willen bewerkstelligen, zodat samenwerken het uitgangspunt wordt in plaats van de uitzondering.”

“Een kwartje zien vallen bij studenten is echt het gaafste wat er is.”

Het solistisch werken aan onderzoek levert voor Jasper beperkt voldoening op. “Je werkt heel lang aan iets, maar de voldoening loopt best wel achter op het werk. Je artikel dat je geschreven hebt komt een jaar later uit, en dat is het dan.” Jasper haalt meer voldoening uit samenwerken in onderzoek, het koppelen van onderzoek aan onderwijswerkzaamheden, en het nastreven van maatschappelijke  impact in onderzoeksprojecten. “Een kwartje zien vallen bij studenten is echt het gaafste wat er is. En voor studenten doen we het best goed. We geven veel opdrachten waarbij ze samen moeten werken, tijdens werkgroepen en als alternatief voor het klassieke tentamen. Alleen dan komt de scriptie en begint de solitaire trechter van PhD, naar postdoc, naar onderzoeksbeurs en uiteindelijk hoogleraar.”

Door die trechter kunnen veel instromers of mensen met een ander CV hun plek niet vinden en vertrekken. “Daardoor raakt de groep solitaire onderzoekers oververtegenwoordigd en ontstaat er een soort monocultuur.”

Toen Jasper het programma Erkennen en Waarderen tegenkwam, voelde hij zich gehoord. Hij sprak tijdens het Recognition & Rewards Festival anderen die een verandering binnen de academie belangrijk vinden en dat voelde als wind in de rug voor Jasper. “Ik vind het goed dat het MERIT model nu bijvoorbeeld in Utrecht echt op verschillende niveaus aandacht krijgt en ook naar gehandeld wordt.” Dat dit stapje voor stapje gaat vindt Jasper logisch. Hij spreekt over een organisatieverandering waar je 5 tot 10 jaar voor moet uittrekken. Op de website van de Universiteit Utrecht zijn de laatste ontwikkelingen van het programma terug te vinden. Zo ook de nieuwe visie op Erkennen en Waarden.

Hoe Jasper het dan over 10 jaar voor zich ziet?
“Dat er geen tweesporenbeleid is van onderzoek enerzijds en onderwijs anderzijds, en dat er een cultuur heerst waar samenwerking het uitgangspunt is. Fundamenteel onderzoek blijft ontzettend belangrijk, maar ik zou graag de isolatie daaruit halen. Je moet uiteraard dingen alleen kunnen doen, maar als het uitgangspunt een breder geheel is, waarbij je veel meer samenwerkt dan kan je elkaar verrijken.”

Dit betekent aldus Jasper dat je ander beleid moet gaan voeren en de prikkels anders moet gaan organiseren dan hoe ze nu liggen. “Je leidt nu mensen op die eigenlijk niet weten hoe gaaf samenwerken kan zijn. Die onderscheiden zich in alleen werken. En dat sluit niet aan bij de diversiteit in kwaliteiten die je nodig hebt als moderne academicus.”

Jasper blijft ondertussen samenwerking ontplooien en hij deelt hij zijn ervaringen met iedereen die het wil horen.

COVID Radar: A good example of open science

The article below describes a recent citizen science project regarding Covid. It shows the usefulness of this open approach and demonstrates the societal impact science has.

This article has earlier been published on the website of Leiden University.


COVID Radar is a good predictor of increasing infections

18 March 2021

The COVID Radar app is citizen science at its best. More than 200,000 users in the Netherlands are answering questions about their health and behaviour to help predict the development of the pandemic. Niels Chavannes, Professor of General Practice at Leiden University Medical Center, explains how the app – a ‘Leiden’ invention – works.

How did the COVID Radar come about?

‘At the beginning of the first wave, the testing capacity was still very low, and we saw that behaviour, such as keeping a safe distance, was an important predictor of the number of infections. Researchers from the LUMC and the Population Health Management degree programme then invented the Covid Radar (in Dutch) app. In collaboration with the IT company Ortec, they built a very easy-to-use app that maps out both the symptoms of COVID-19 and the associated behaviour. We immediately attracted a lot of users and still have more than 200,000 across the country who collectively already have answered six million questionnaires.’

‘The fill-in rate increases a lot as another wave arrives because people suddenly see their neighbour being taken away in an ambulance.’

What is the difference between this app and the government’s CoronaMelder app?

‘CoronaMelder only registers if you have tested positive yourself and gives a warning if you have been in the vicinity of infected people. COVID Radar doesn’t do that. Users of our app complete a short questionnaire about twice a week about whether they have tested positive or have experienced coronavirus-related symptoms such as cold symptoms or a loss of smell and taste. In addition, they answer questions about their behaviour: have you been in crowded places? Have you spent time within a metre and a half of people? It takes about 30 seconds; the questions are already answered by default and you just have to click the slider. Answering the questions is not compulsory, but the app gives you a friendly reminder if you haven’t completed it yet.’

What does it deliver?

‘It’s a sample that is particularly reliable in the Randstad because there are many users of the app in that area. The information from all those people together has an important predictive value. A week before there is an increase in confirmed infections, we see an increase in symptoms and a change in behaviour. People indicate that they are less compliant with the rules, such as keeping their distance and wearing masks. We saw that very clearly in the summer. A few weeks later, the number of infections increased rapidly. For example, we saw that the areas with a lot of students turned red and, when there was more lax behaviour, the reported symptoms increased afterwards.’

Gebruikers kunnen zien hoe de situatie is in hun postcodebied en in de rest van Nederland.

What about privacy?

‘That’s not at risk; we looked at that carefully. COVID Radar collects data by postcode area. That means that as an individual user, you are part of a group of 3,000 people in the same postcode area and you are not identified personally. The only personal data the app collects are age, gender and whether people work in healthcare, because that carries a higher risk of infection. The Dutch Data Protection Authority, which keeps a very close eye on privacy risks, granted permission in April 2020 and the app has been up and running ever since.’ 

Do you have any idea whether the users actually answer the questionnaire honestly?

‘We realise that not all participants will answer everything truthfully, but we do think that the users are a bit more the benevolent citizens from the population: they are motivated to participate because they want to give researchers greater insight for fighting the pandemic. Users don’t get individual feedback about the questions, and they don’t have to worry about us checking to see whether they’re getting tested, for example, because we don’t do that kind of thing. By the way, the fill-in rate increases a lot as another wave arrives because people suddenly see their neighbour being taken away by ambulance or have an aunt in intensive care.’

What is being done with the findings?

‘It’s citizen science and open science. Users can look at a newsfeed in the app to see how the pandemic is developing and, for example, can view graphs about their own postcode area. Users appreciate being kept up to date by a scientific team. Older users in particular say that they feel less lost as a result, especially if they are isolated at home.’

‘We can look by neighbourhood to see where things are getting out of hand.’

‘We also make the data available to officials. For instance, the mayor of Leiden already has been pleased to use it because we can look by neighbourhood to see where things are getting out of hand. The results are also going to the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) and the Ministry of Health, Welfare and Sport, and we hope that they will make even better use of the information. A grant application is now pending to link this data to mobility data such as traffic flows. That will make it possible to predict more accurately where new hotspots will occur. European partners can also use the data to carry out comparative studies, and our first publications have now been submitted to scientific journals.’

The end of the pandemic is hopefully in sight as the number of vaccinated people increases. What does that mean for the future of the app?

‘It will still be needed, for this coronavirus pandemic and for other virus outbreaks. That’s why we want to recruit more new users. We already have participants from many different neighbourhoods, including those with lower socioeconomic status. But we are still looking for more young people and residents in rural areas. Together we can ensure that developments are more predictable so a new lockdown may not be necessary. There is also worldwide interest in COVID Radar. For instance, the WHO and Amref have expressed interest because they are looking for systems that can also provide early warning of other epidemics.’

The app is an initiative of the Public Health and Primary Care department, the Clinical Epidemiology department, and the Infectious Diseases department at the LUMC and the Population Health Management degree programme at Campus The Hague.

Text: Linda van Putten (Universiteit Leiden: https://www.universiteitleiden.nl/en/news/2021/03/covid-radar-is-a-good-predictor-of-increasing-infections)